baksteen-
kwaliteit

Uit onderzoek is gebleken dat voor herstel van massief metselwerk met een zware regenbelasting de juiste bakstenen vaak niet courant leverbaar zijn en ook de op maat en kleur gebakken stenen niet altijd voldoen.

Vroeger werden uit de zogenaamde periodieke ovens op empirische wijze, op ’t gehoor (klank) en op ’t gevoel (gewicht, breken) en ’t gezicht (kleur, structuur van het breukvlak, scheuren etc) per baksel een aantal soorten gesorteerd op hardheid en dichtheid. Van ‘rood’ , via ‘boerengrauw’, ‘hardgrauw’, ‘gevelklinker’, ‘trasraamklinker’ tot ‘kelderklinker’. Deze soorten of kwaliteitsklassen kwamen nog tot in 1934 in de oudste baksteennorm tot uitdrukking.

Voor zwaar regenbelast opgaand metselwerk waren van oudsher de ‘hardgrauw’ en de ‘gevelklinker’ de aangewezen kwaliteiten. In de huidige baksteennorm NEN 2489 uit 1972, gebaseerd op het eigentijdse bouwen d.m.v. spouwmuurconstructies waar waterdichtheid geen eis meer is, heeft men die onderverdeling verlaten en vervangen door ‘gebruiksklassen’ gebaseerd op mechanische sterkte. Vastgesteld werd dat de huidige gemiddelde baksteenkwaliteit beduidend poreuzer is dan vroeger.

Het is bekend dat voor de restauratiepraktijk momenteel een speciale richtlijn wordt ontwikkeld.

Het gedrag van een baksteen in termen van vochtabsorptie en droging kan worden gekarakteriseerd aan de hand van twee parameters: de specifieke wateropneming, ook genoemd het Hallergetal, uitgedrukt in de vochtopneming in g/dm2/min en de vrijwillige wateropneming uitgedrukt in de hoeveelheid water die door een steen - geheel ondergedompeld - in 48 uur wordt opgenomen, uitgedrukt in percentage van het volume of van het gewicht van die steen. Als resultaten van onderzoek worden in de ontwerprichtlijn voor de gevelklinker en de Hardgrauw de grenswaarden opgenomen voor het Hallergetal en de vrijwillige wateropname*.

*Zie: Nieuwsbrief Rijksdienst voor de Monumentenzorg, november 2005, pag. 8-9 .